Een bijzondere ontmoeting in de Elzas

Het is half september 2020. Corona zorgt nog altijd voor de nodige kaalslag in mijn agenda. Het thuis afwachten of optredens wel of niet door kunnen gaan eist zijn tol en het heeft een enorme weerslag op mijn gemoed. Daarom besloot ik eerder al om meer onderweg te zijn, er op te uit trekken met Betsy (onze camper). Dat ik een vriendin heb die mij hierin vrij laat koester ik enorm.

De reis gaat deze keer, samen met een van onze twee honden, Raffie, naar de Noord-Vogezen op zo’n 5 uur rijden van mijn woonplaats, Riel. Tel er bij Betsy nog minstens een uur bij op. Gezien haar hoge leeftijd (bouwjaar 1991), kleine motorcapaciteit en corpulente voorkomen rijdt deze dame maximaal 95 km per uur op de snelweg. Met een chauffeur die een hekel heeft aan snelwegen en daarom graag de B-wegen trotseert kun je je voorstellen dat het niet heel erg vlot gaat.

De laatste jaren heb ik steeds vaker een hekel gekregen aan het rijden via de navigatie. Je rijdt bijna nergens meer op de bonnefooi naartoe. Daarbij miste ik de charme van het uitzoeken van routes via wegenkaarten. De daarmee gemoeide echtelijke ruzies kunnen we logischerwijs missen als kiespijn. Nu hoef ik niet per se de purist uit te hangen dus ik kies voor een combinatie van beide. Ik heb de wegenkaart van Frankrijk erbij genomen en ben op zoek gegaan naar een plekje waar veel ‘groene routes’ te vinden zijn. Je weet wel, er is dan zo’n groene lijn langs de weg getekend en kunt er vanuit gaan dat er moois te zien is. Na een tijdje bladeren vind ik ‘La petite Pierre’ in de Noord-Vogezen, Elzas. Even moet ik me bedwingen om het niet meteen in de eerste de beste zoekmachine in te tikken. Dat vind ik namelijk een beetje zonde van het internet vandaag de dag. Je kunt alles opzoeken. Foto’s van de omgeving, restaurants, noem het maar op. Echter valt er dan voor mijn gevoel niet zo veel meer te ontdekken als je het van te voren allemaal al hebt uitgezocht. En ja, het kan natuurlijk tegenvallen wanneer je op goed geluk gaat, maar dat maakt de meevallers des te mooier. Tegenvallers horen nu eenmaal ook bij het leven. Ok, misschien dat het dit jaar wel wat wordt overdreven…hè Corona!?

Ik ben bijna bij ‘La petite Pierre’ en besluit Betsy aan de kant te zetten. Raffie en ik zijn het rijden beu. De lengte van de reis viel tegen, maar we zijn in het gebied waar ik naartoe wilde gaan. We hebben onderweg nog geen camping ontdekt, dus toch eens even kijken met de telefoon of er een camping in de buurt is. Weliswaar niet bij ‘La petite Pierre’ maar op zo’n 15 km daar vandaan vinden we iets. Gauw inchecken en misschien blijven we hier wel de komende 3 dagen. Het is een kleine camping zonder al te veel luxe, maar een prachtig uitzicht en lekker rustig.

De volgende dag is het erg warm, maar we maken toch een wandeling van zo’n 15 kilometer. Heuvel op, heuvel af door de prachtige omgeving. Jammer genoeg vangen we bot bij elke horecagelegenheid in dit verlaten gebied, maar gelukkig heb ik gesmeerde boterhammen bij me en lekkers voor Raffie. Terug aangekomen bij de camping twijfel ik of ik de kleine viervoeter niet te veel heb laten wandelen in de hitte. Ondanks dat we hoofdzakelijk in de schaduw hebben gelopen zie ik dat ze moe is. Het baasje eveneens trouwens. Een borrel, goed eten en een goed boek van Tijn Touber maken de avond tot een succes en ik mag terugkijken op een mooie eerste dag.

Als ik de volgende ochtend wakker ben en gedoucht heb zie ik bij de receptie een oude man zitten. De man groet me en begint een gesprek. Gelukkig spreekt hij Duits, want in het Frans zou het gesprek ongetwijfeld van korte duur zijn geweest. Hij vertelt me dat hij zit te wachten op de bakker. ‘De bakker!?’ vraag ik. ‘Komt de bakker hier op de camping dan?’. ‘Ja’, zegt de man. ‘Met een busje, en vanuit de achterklep verkoopt hij brood. Gelukkig maar, want de dichtstbijzijnde bakker is op drie kwartier wandelen gelegen’. Ik besluit samen met de man te wachten en we keuvelen rustig verder. Hij vertelt me dat ie ‘s middags gaat lunchen beneden in het dorp. Hij weet precies welk ‘plat du jour’ er vandaag geserveerd wordt en beveelt het me aan.

Met de wandeling van de dag ervoor nog in de benen en ook omdat ik het Raffie zeker niet aan wil doen wederom een lange wandeling te maken, dalen we ‘s middags af naar het dorp voor de lunch die me werd aanbevolen. Buiten is het behoorlijk heet, maar gelukkig is het binnen in het restaurant een stuk koeler. Ik krijg een tafel toegewezen, maar zie de oude man nergens zitten. Hij had wel gelijk, het eten is heerlijk. Overigens hebben ze daar in de Elzas sowieso wel verstand van.

Ik krijg via de bediening koffie aangeboden. ‘Van wie?’ vraag ik in mijn gebrekkige Frans en ineens zie ik de oude man staan. Ik bedank hem en nodig hem uit aan tafel. We praten volop. Hij heet Maurice en komt uit Straatsburg. Elk jaar, zoveel als hij nog kan reist hij alleen met zijn caravan naar de camping waar wij verblijven. Als hij me vertelt dat ie 83 is kan ik alleen maar hopen dat een dergelijke gezondheid en avontuurlijke geest me op die leeftijd nog gegeven is. ‘Wat ga je morgen doen?’ vraagt Maurice. ‘Morgen vier ik mijn verjaardag’ zeg ik. Voor het eerst in mijn leven ga ik mijn verjaardag alleen vieren. Nou ja, niet helemaal alleen. Ik heb Raffie bij me en later zal blijken dat mijn vriendin nog een cadeautje voor mijn verjaardag verstopt heeft in de camper waardoor ik me verre van alleen voel. ‘Mag ik je uitnodigen om samen ergens te eten morgen?’ vraagt Maurice. Ik hoef er niet lang over na te denken en zeg meteen ‘ja’. ‘s Avonds op de camping geeft Maurice aan dat ik morgen eerst om 11.30u. naar zijn caravan kan komen om daar een aperitief te drinken.

Als ik de volgende dag bij hem ben op het afgesproken tijdstip, heeft hij buiten de tafel voorzien van zoute sticks, olijfjes en andere knabbels. Ik zie dat hij zijn best doet en graag wil zorgen voor zijn Nederlandse gasten. We drinken een Elzasser aperitief, Raffie krijgt veelvuldig knabbels toegestopt en even later verlaten we de camping met de auto van Maurice. Met zijn Dacia rijden we enkele dorpen verder waar hij een restaurantje weet te zitten waar ze naar zijn zeggen wederom goed eten serveren.


Aan tafel komen we geen praat te kort. Maurice is 38 jaar lang automonteur geweest in Straatsburg. Hij heeft tot voor kort altijd op een fijne plek gewoond. Helaas heeft hij zijn huis moeten verkopen en is hij noodgedwongen verhuisd naar de buitenwijken van Straatsburg. Zijn vrouw is dement en ze is opgenomen in een verzorgingstehuis waarvoor Maurice € 2000,- per maand betaald. Wanneer hij kan ontvlucht hij met zijn caravan in de lente en zomer de buitenwijken van Straatsburg. Ik hoor hem nergens over klagen, maar het spreekt voor zich dat hij liever zijn vrouw nog dichtbij had gehad en niet verhuisd was.


Daar zitten we dan. Hij 83 en ik sinds vandaag 38. Het eten is wederom goed. We drinken koffie met een digestief na. Ik heb Maurice gezegd dat wie jarig is trakteert en dat ik de rekening daarom betaal. Maurice schermt met het verhaal dat hij me heeft uitgenodigd en hij degene is die moet betalen. Natuurlijk gaat het zo even over en weer, maar uiteindelijk besluiten we dat de een de drank betaalt en de ander het eten. Bij het afrekenen wordt er het nodige in dialect gesproken en vervolgens wordt ons nog een borrel aangeboden. Deze is van een mede-Elzasser. Dit maal in cognacglazen die voor de helft gevuld zijn. Maurice waggelt een beetje als we naar buiten lopen en ik vraag me af of we het redden naar de supermarkt met zijn auto. Hij heeft immers de buurvrouw op de camping beloofd nog boter mee te nemen, zodat ze zelf niet hoeft te gaan. Belofte maakt schuld. Bij de supermarkt mag ik van hem nog een gebakje nemen, omdat ik jarig ben en als we buiten op het terras zitten vertelt hij dat hij voor Frankrijk nog heeft gediend in de Algerijnse oorlog. Die oorlog is mij niet bekend, maar dat ligt vast aan mijn kennis van de geschiedenis van Frankrijk. Hij begint hierover naar aanleiding van een vraag die ik hem stel of hij zich meer Fransman of Duitser voelt. ‘Ik ben Elzasser’, zegt hij trots. ‘Eerst was het Frans grondgebied, toen Duits, toen weer Frans. Wij horen eigenlijk nergens bij. Ik heet Maurice, maar toen het Duits grondgebied was moest ik Moritz heten en toen het weer Frans was en ik uiteindelijk vocht voor de Fransen in de Algerijnse oorlog werden we weggezet als ‘Schweinhunden”. ‘En toch merk ik dat iedereen in de Elzas zo ontzettend vriendelijk is’, zeg ik tegen Maurice. ‘Wij willen geen ruzie, wij willen geen conflicten en des te meer hebben we geleerd om te genieten van het leven’, zegt hij. Ik besef me dat ik nog veel langer met Maurice zou kunnen optrekken en dat ik van hem kan leren. ‘s Avonds nodig ik hem en zijn Duitse buren nog uit voor een borrel bij onze camper en proosten we nog een keer op mijn verjaardag en op het leven. Maurice vraagt me of ik een leuke verjaardag heb gehad. ‘Ja’, zeg ik, ‘ik heb een hele mooie bijzondere verjaardag gehad’. Mooi mens die Maurice. Te zien dat hij zo genoten heeft op mijn verjaardag, omdat ik zo genoten heb, dat is een mooi cadeau!


De dagen na mijn reis denk ik er en nog veel aan terug en ik hoop hem nog eens te treffen daar op die camping in de Noord-Vogezen.